Ilse Van den Berckt • January 14, 2026

Tussen Keizer en Bankier. Wie het geld mag drukken heeft de macht.
Monetaire geletterdheid #4


Doordat de Westerse en de Oosterse wereld vanuit een andere blik naar de organisatie van hun geldsysteem keken creëerden ze andere economische, maatschappelijke en politieke structuren. De impact hiervan is vandaag nog zichtbaar in de machtsverhoudingen, de overheidsfinanciën en het economisch beleid. Deze blog werd geïnspireerd door hoofdstuk 4 – met als titel ’The alchemy of banking’ – van het boek Princes of the Yen, geschreven door Professor dr. Richard Werner. 

In wat volgt, herinneren we eerst aan de functies van geld en het feit dat banken, en bijgevolg ook de geldcreatie, doorgaans niet opgenomen worden in economische modellen. Vervolgens wordt door een vergelijking van het 10de eeuwse Chinese papiergeldsysteem met de ontwikkeling van het westerse bankensysteem het belang van de controle over geldcreatie en -allocatie aangetoond, én wordt duidelijk hoe de organisatie ervan de werkelijke macht bepaalt. Waar nodig worden een aantal begrippen kort verduidelijkt. 


Functies van geld
Geld is veel meer dan alleen muntstukken of cijfers op een rekening. Het speelt een centrale rol in de economie en de inrichting van het persoonlijk en collectief leven. Geld vervult doorgaans drie klassieke functies. Ten eerste dient het als ruilmiddel of betaalmiddel, waarmee je goederen en diensten kunt kopen en verkopen: je ruilt iets voor geld en kunt vervolgens met dat geld iets anders aanschaffen. Ten tweede fungeert geld als rekeneenheid, waarmee de waarde van verschillende goederen en diensten wordt uitgedrukt en vergeleken. Tenslotte is geld een spaar- of bewaarmiddel, waarmee je waarde kan opslaan voor toekomstige uitgaven, voor investeringen of als ‘appeltje voor de dorst’ in de magere jaren.

Geld als het levensbloed van de economie

In economische opleidingen horen we dat geld vooral nodig is om dingen te kopen, en in de lessen financieel management leren we hoe de kostprijs van geld zo laag mogelijk te houden en de opbrengst zo hoog mogelijk — kortom: geld verdienen met geld. Maar daarnaast wordt het geldsysteem zelden aangehaald in de organisatie van de economie. Geld wordt gezien als kostenpost of middel tot opbrengst, maar wordt verder weinig belang toegedicht voor het economisch beleid, behalve dat je er best genoeg van hebt om alle rekeningen te kunnen betalen en de begroting in evenwicht te houden. Banken op hun beurt worden beschouwd als neutrale intermediairen, instellingen die geld verzamelen en weer verspreiden, en bijgevolg geen plaats behoeven in economische modellen en theorieën.


In het boek Princes of the Yen stelt professor Richard Werner dat geld juist het levensbloed van economisch beleid is: hoe goed de structuren an sich ook

functioneren, het is de hoeveelheid geld én de manier waarop het wordt toegewezen die bepalen of er (i) economische groei komt én (ii) inflatie en bubbels vermeden worden. Vandaar dat de manier waarop we naar geld kijken — en hoe we ons geldsysteem organiseren — cruciaal is: hoe zorg je dat het bloed vrij stroomt? En hoe houd je de levensader gezond?



De Oosterse blik: papiergeld in het 10de eeuwse China

Het eerste papiergeld vinden we terug in het 10de-eeuwse China tijdens de Sung Dynastie. Het werd uitgegeven door de keizer, geen enkele andere persoon of instituut mocht geld creëren, op straffe van de dood. Dit systeem bleef honderden jaren bestaan tot aan het tijdperk van de Mongoolse overheersing.


Hoe werkte het precies?

De keizer had een onnoemlijke voorraad van dit papieren geld en verplichte iedereen alle betalingen hiermee te verrichten. Weigeren was geen optie (de straf voor ongehoorzaamheid was de dood), en tegelijkertijd was dit papieren geld voor de burgers ook aantrekkelijk omdat ze er overal mee konden betalen.

Daarnaast verplichte de keizer de burgers om goud, zilver en andere waardevolle zaken naar zijn markten te brengen, waarvoor hij een eerlijke prijs in zijn papieren valuta betaalde. Op deze manier verzamelde hij niet alleen een enorme schatkist, waar de Westerse koningen enkel jaloers op konden zijn, hij kreeg bovendien controle over de rijkdom van het rijk. Het volk van zijn kant werd in ruil eerlijk betaald in de keizer's papiergeld.  

Kenmerken en gevolgen

Kenmerkend voor dit centrale systeem is dat de keizer direct de geldhoeveelheid kon aansturen: hij kon de economie aanjagen door meer papiergeld te creëren, of afkoelen door geld uit circulatie te halen. Hij bepaalde ook wie controle kon krijgen over voedsel, grondstoffen, wapens en de nieuwste technologie door naar believen papiergeld te creëren en toe te wijzen. Hij was in alle opzichten een absolute heerser, die controle had over alle grondstoffen en hulpbronnen van zijn rijk.

Vanuit westerse democratische waarden lijkt dit autocratisch — en dat is het ook — maar tegelijk bracht deze werkwijze enorme welvaart voor het Chinese volk. Vergelijk het met het oude Rome: onder goede keizers bloeide het, onder slechte keizers bloedde het.



De Westerse blik: de alchemie van de goudsmeden

In het Westen werd lange tijd aangenomen dat alleen edelmetalen, zoals goud en zilver, echt geld konden zijn. Goud is echter niet naar believen te maken, al deden veel heersers wanhopige pogingen. Volgens sommigen was het deze zoektocht naar goud‑splitsing die leidde tot de chemische industrie. In elk geval legden goud en edelmetalen de basis voor onze moderne Westerse bankensector.


Hoe werkte het precies?

Gouden en zilveren munten maakten de (ruil)handel eenvoudiger doordat ze één rekeneenheid boden. Wie goed boerde of een succesvolle handel bezat kon al snel meer goud bezitten dan veilig thuis opgeslagen kon worden. Ze zochten hun toevlucht tot de goudsmeden die door de aard van hun werk veilige opslagplaatsen hadden, en bereid waren om tegen een vergoeding ook andermans goud te bewaren. Wanneer goud bij een goudsmid werd gedeponeerd, schreef deze laatste een ontvangstbewijs om te bevestigen dat hij het in bewaring had. Omdat goud zwaar, onhandig en transportgevaarlijk was — handelaren werden vaak overvallen — werden later die ontvangstbewijzen zelf als betaalmiddel geaccepteerd. Zo zag het eerste Europese papiergeld het licht rond de 13e eeuw.

Goudsmeden ontdekten al snel dat een groot deel van het ingebrachte goud nooit werd opgehaald. Ze realiseerden zich dat ze een deel van dit goud konden uitlenen tegen een intrest en zo extra winsten genereren. Dit uitlenen gebeurde zonder medeweten van de eigenaar en was dus een vorm van fraude, bovendien was het aanrekenen van intrest lange tijd verboden. Redenen genoeg om deze transacties geheim te houden, en de ontlener die om geld verlegen zat ging hierin graag mee. De goudsmeden en hun ontleners sloten een vorm van ‘geheim verbond’. Zolang de gemeenschap niet wist wat er gebeurde en/of het niet begreep, was er geen probleem.

“Zolang de gemeenschap niet wist wat er gebeurde, was er geen probleem.“

In een volgende fase realiseerden de goudsmeden dat, sinds ze ontvangstbewijzen uitschreven en niet meer het fysieke goud uitleenden, ze meer van dergelijke ontvangstbewijzen konden uitschrijven dan er goud in de kluis aanwezig was. Om op die manier nog extra winsten te maken. Dit was de geboorte van het Westerse fractioneel bankieren, en het ‘geld printen uit het niets’, net zoals de Chinese keizer eeuwen voordien al deed. Alleen lag de macht en controle niet bij de keizer, maar bij de goudsmeden.

Kenmerken en gevolgen

Doordat goud en zilver niet naar believen te creëren zijn hadden de Europese koningen en keizers geen controle over de geldhoeveelheid, en konden ze bijgevolg ook de economie niet aansturen. Vergeleken met de Chinese keizer hadden de Europese leiders niet werkelijk de leiding, want ze konden de grondstoffen en productiefactoren in hun land niet aankopen en/of niet aansturen, noch konden ze de productie aanzwengelen dan wel afkoelen. Wie de geldhoeveelheid niet kan controleren en toewijzen kan geen verantwoordelijkheid nemen voor de economie, en geen publieke sector projecten aansturen.

Omstreeks de 13de eeuw ontstond dus ook in Europa een papieren vorm van geld, en geldcreatie. Het was echter significant verschillend van het Chinese geldsysteem, zowel naar vorm als naar functie, omdat het ontstond uit privé initiatief. Uiteindelijk deden de bankiers (ontsproten uit de goudsmeden) datgene waar noch de Europese koningen en keizers noch de alchemisten in slaagden: geld creëren. Het papiergeld werd evenwel niet door de overheid uitgegeven maar door een private groep van ondernemers, met een groot verschil in machtsverhoudingen tot gevolg. Het onvermogen van de koningen om geld te creëren leidde tot het heffen van belastingen, en geld lenen bij private goudbezitters, tegen vergoeding van een rentebetaling. Waarbij dit laatste leidde tot nog hogere belastingen. In tegenstelling tot de Chinese keizer waren de Europese leiders niet soeverein maar verdoken afhankelijk.

Het printen van geld in Europa ging gepaard met het aanrekenen van een intrest, hoewel er geen andere tegenprestatie dan het uitschrijven van een bewijsstuk tegenover stond. Men zou zelfs kunnen stellen dat deze intrestlasten niet gebaseerd waren op een economische handel maar ontsproten uit fraude en samenzwering, wat de intrestbetaling een vorm van zwijggeld maakte. Op dezelfde manier wordt in het hedendaagse bankstelsel nog steeds intrest aangerekend op het uitlenen van geld, terwijl ook dit geld ‘out of thin air’ gecreëerd wordt. Nu we begrijpen hoe deze ‘gewoonte’ ontstond (uit een vorm van ‘fraude’), kan er ruimte ontstaan om deze in vraag te stellen, en ons af te vragen of en onder welke voorwaarden en context intrestlasten iets bijdragen aan economie, welvaart en welzijn. 

Deze manier van geld creëren, ‘out of thin air’, met aanrekening van een intrestvergoeding is de kern van het businessmodel van de moderne banken. Het vond zijn oorsprong in de ‘alchemie van de goudsmeden’ die gebaseerd was op persoonlijk voordeel en winstbejag. Er was geen relatie met een gezond economisch beleid, noch met welvaart en welzijn van de bevolking en het grotere geheel. Het kon bovendien enkel bestaan in het verborgene, zonder enige transparantie. Fraude en corruptie verdragen nu eenmaal het daglicht niet. Is dit de reden waarom de werking van het huidige geld- en bankensysteem in geen enkele cursus beschreven staat?


“Wie de geldhoeveelheid niet kan controleren en toewijzen kan geen verantwoordelijkheid nemen voor de economie.“

De invloed van het geldsysteem op de economie

In de inleiding vermeldden we dat volgens het momenteel dominante narratief banken (en hoe ze met geld omgaan) neutraal geacht worden en daarom doorgaans niet terug te vinden zijn in economische modellen en theorieën. De voorgaande paragrafen toonden  echter aan dat deze geldcreatie en geldtoewijzing in handen van de banken is. Een combinatie van private commerciële banken en zogenaamd ‘onafhankelijke’ en niet-transparante publieke centrale banken. Aangezien macht over de geldcreatie en de toewijzing van het geld noodzakelijke voorwaarden zijn voor economische controle, en voor soevereiniteit over het politiek-economisch beleid, is het essentieel om te weten welke stelling met de realiteit overeenstemt.


Indien banken neutraal zijn, zou dit betekenen dat ze enkel een intermediaire functie hebben tussen het verzamelen van bestaand geld (inkomend) en het uitlenen ervan (uitgaand) op basis van een veronderstelde perfecte marktwerking. Wanneer banken wel invloed (kunnen) hebben op de geldhoeveelheid en de toewijzing ervan, en zo de economie kunnen beïnvloeden en sturen, horen ze thuis in de economische modellering en het economisch beleid. Het zou tevens het algemeen aanvaarde principe dat centrale banken onafhankelijk moeten zijn in vraag kunnen stellen. In dit geval zou het logischer (lees noodzakelijk) zijn het monetaire en economische beleid op elkaar af te stemmen, en beiden te bouwen op een democratisch proces, met de nodige transparantie en ‘checks and balances’.


Om meer duidelijkheid te krijgen over de rol van banken op de economie zijn drie vragen cruciaal:

  1.  zijn banken neutrale intermediairen?
  2. hebben ze controle over de geldcreatie?
  3. hebben ze controle over de geldtoewijzing? 


Zijn banken neutraal?

De theorieën en modellen over de werking van een bank kunnen ruwweg herleid worden tot de volgende drie mogelijkheden:

  1. De Financial Intermediation Theory: De theorie van de financiële bemiddeling poneert dat alle banken deposito’s verzamelen, kredietanalyse en risicobeoordeling van investeringsvoorstellen doen, en op basis daarvan leningen verstrekken. De geleende gelden komen volgens deze theorie van deposito’s. Banken zijn volgens deze theorie neutraal want ze hebben enkel een bemiddelende rol tussen inkomend en uitgaand geld.
  2. De Fractional Reserve Theory stelt eveneens dat elke bank afzonderlijk slechts een tussenpersoon is tussen wie geld aanbiedt en wie geld wil lenen, maar tegelijk gebeurt er ‘ergens’ in het collectieve bancaire samenspel ook een geldcreatie.
  3. De Credit Creation Theory: Geldcreatie via het verlenen van kredieten zegt dat wanneer een bank een lening geeft, ze geld uit het niets creëert.

Professor Werner deed als eerste een empirische studie om deze drie theorieën te testen en kwam tot de conclusie dat enkel de ‘Credit Creation Theory’ overeenstemt met de praktijk. Geld wordt ‘out of thin air’ en ‘met een druk op de knop’ gecreëerd op het moment dat een lening toegekend wordt. Banken creëren m.a.w. geld uit het niets. Wanneer iemand een lening aangaat, wordt dit bedrag geboekt op diens rekening bij de bank, als registratie van een schuld van de bank aan de klant uit hoofde van een leencontract. Eénzelfde bedrag wordt geboekt op de activazijde van de bank.



Controle over de geldhoeveelheid?

Banken zijn dus niet neutraal, ontdekten we in vorige paragraaf, want ze zijn niet louter een tussenpersoon in het verhandelen van bestaand geld, ze kunnen zelf ook geld creëren. De volgende vraag die zich stelt, is of ze deze geldhoeveelheid ook kunnen sturen. Hebben zij controle over het uitbreiden of inkrimpen van de hoeveelheid geld in omloop?

Om het begrip controle over de geldhoeveelheid bevattelijker te maken, en het belang ervan te duiden, grijpen we even terug naar de geschiedenis van de geldcreatie in het Oosten versus het Westen (Europa), zoals hierboven reeds beschreven.

Het Chinese papiergeld werd door de keizer gecreëerd in een “hoeveelheid die de ganse wereld kon opkopen” en vervolgens ingezet om de economie te stimuleren of af te koelen. Met datzelfde geld kocht de keizer bovendien strategische grondstoffen op waardoor hij macht had over alle grondstoffen en het gebruik en de toewijzing ervan kon sturen. Net zoals hij de (voor hem oneindige) papieren geldvoorraad kon gebruiken om de productiefactor arbeid in te schakelen in publieke projecten zoals infrastructuur en leger. De Chinese keizer had duidelijk controle over het inzetten van het instrument ‘geldhoeveelheid’ en kon het gebruiken als instrument voor economisch beleid.


Geld op basis van goud daarentegen was voor de Europese leiders beperkt tot de hoeveelheid gedolven goud en het aandeel ervan dat in hun handen was. Hadden ze meer geld nodig dan moesten ze dit lenen van private partijen die werkten volgens ‘de alchemie van de goudsmeden’, en als de (voorlopers van de) banken fungeerden. De werkwijze van de goudsmeden zorgde er in de eerste fase, waarbij ze goud dat ze in bewaring hadden uitleenden, voor dat ‘slapend’ geld beschikbaar kwam voor de economie. Later, toen ze niet alleen het goud dat ze in bewaring hadden gingen uitlenen maar bovenop ook nog ongedekte ontvangstbewijzen gingen verhandelen en ze extra geld begonnen te creëren, steeg de koopkracht nog meer. Op een stiekeme, en voor het publiek ongekende en onzichtbare manier, beïnvloedden de goudsmeden/bankiers de totale geldhoeveelheid, wat een effect had op elke burger, Omdat elke toename van geld de druk op (schaarse) grondstoffen doet toenemen, en de vraag naar goederen en diensten laat stijgen, wat kan leiden tot inflatie. Hoe meer geld deze ‘banken’ creëerden, hoe meer koopkracht er in de economie werd gepompt en gebruikt voor transacties die zonder dit extra geld niet zouden plaatsgevonden hebben. 

De banken blijken dus controle te hebben over de geldhoeveelheid, en bijgevolg op de economie en welvaart en welzijn van de bevolking. Maar we kunnen hier moeilijk spreken van een politiek economisch beleid omdat hun strategie noch volgens democratische principes bepaald werd, noch de belangen van en bevolking en maatschappij dient, en uitsluitend gericht zijn op de private belangen van de bankiers en hun aandeelhouders.


“Geld wordt uit het niets gecreëerd op het moment dat een lening wordt toegekend.“

Controle over de toewijzing van geld?

De keizer in China had niet alleen controle over de geldhoeveelheid maar ook over de toewijzing van het geld. Hij kon beslissen wie welke productie mocht opnemen, hoe de grondstoffen prioritair ingezet moesten worden, in welke nieuwe technologieën geïnvesteerd ging worden, etc. Hij was de absolute heerser, in controle over alle grondstoffen en productiefactoren van zijn rijk.


Dergelijke absolute heerschappij kennen we vandaag in het Westen – gelukkig – niet meer. Het basisprincipe van de westerse economie bevindt zich in de tegenpool, met name de ‘vrije markt’. Ook al blijkt deze ‘vrije markt’ in de praktijk een illusie, als je de vele overheidsreguleringen meetelt en niet blind bent voor de vele onvolmaaktheden die ervoor zorgen dat de acht voorwaarden van een vrije markt in de praktijk nooit gehaald kunnen worden. Maar als de toewijzing van het geld in het westen overgelaten wordt aan de vrije markt, die in de praktijk een utopie blijkt te zijn, hoe en door wie wordt het geld dan toegewezen? Wie het boek Princes of the Yen leest, komt waarschijnlijk tot de conclusie dat het westen niet de absolute controle van de Sung Dynastie kent, maar dat de huidige monetaire en financiële wereld, achter de schermen en in volledige anonimiteit, mogelijk meer sturing kent dan de doorsnee burger beseft. Wie aan de touwtjes trekt en voor welke doelen is niet gekend.


Geld toewijzen aan productieve investeringen

Professor Werner geeft in zijn boek Princes of the Yen drie mogelijkheden aan om geld toe te wijzen. Deze principes kunnen allen  in volledige transparantie worden toegepast.

1.   De geldcreatie wordt gebruikt voor consumptie, zonder de hoeveelheid goederen en diensten te verhogen. In dit geval creëer je een consumptieprijs-inflatie aangezien de hogere vraag geconfronteerd wordt met een vast aanbod.

2.    De geldcreatie wordt ingezet voor het kopen van activa, zoals onroerende goederen en aandelen, met een stijging van de prijzen op de onroerend goed en aandelenmarkten als gevolg, en daarmee samenhangend een risico op het ontstaan van bubbels.

3.    De geldcreatie wordt aangewend voor productieve bedrijfsinvesteringen, zoals investeringen in nieuwe technologieën en hun implementatie, investeringen gericht op het verhogen van de productiviteit, of gelden toewijzen om creatieve ideeën van mensen te implementeren. Niet alleen worden in dit geval duurzame inkomensstromen gecreëerd die zorgen voor het terugbetalen van de leningen, doordat de toegenomen geldvoorraad gepaard gaat met een stijgend aanbod aan goederen en diensten zal er geen inflatie plaatsvinden.

Enkel de laatste optie, waarbij geldcreatie geleid wordt naar productieve bedrijfsinvesteringen in de reële economie zal zorgen voor een gezonde en duurzame economie. Om dit in de praktijk mogelijk te maken is volgens professor Werner een uitgebreid en decentraal netwerk van lokale banken nodig.



“Enkel geldcreatie voor productieve investeringen zorgt voor een gezonde economie.“

Wat leren we uit de vergelijking Oost – West?

De Chinese keizers ontdekten reeds in de 10de eeuw het papieren geld en beseften dat de geldhoeveelheid flexibel ingezet kan worden en een essentieel deel is van het economisch beleid. Mede daardoor verwierven ze complete controle over de economie en hun keizerrijk. Europese leiders daarentegen geloofden dat enkel edelmetalen zoals goud en zilver bruikbaar zijn als geld. Deze grondstoffen zijn echter schaars en er kan niet naar wens extra van gecreëerd worden. Het maakte hen afhankelijk van wie over grote goudvoorraden beschikten (of dit althans zo kon laten uitschijnen) en leidde ertoe dat ze noch werkelijk grip hadden over de economie en bijgevolg ook niet op hun rijk, noch werkelijk soeverein waren. 

Het contrast tussen beide toont aan hoe een klein verschil in perspectief, of misschien lag een beperkt inzicht en doorzicht in het fenomeen geld aan de grondslag, een grote impact kan hebben op de organisatie van economie en maatschappij. De vergelijkende analyse van de Chinese versus de Europese geschiedenis van het geldsysteem leidt tot de volgende conclusies.

  • Beide systemen gebruiken papieren geld en creëren geld ‘uit het niets’.
  • Wie geld kan/mag creëren heeft de macht. In China was het de keizer, terwijl in Europa private kapitaalkrachtige families en instituties dit instrument ‘uitvonden’. De Europese koningen of overheden hadden dit privilege naar zich toe kunnen trekken, maar deden het niet.
  • Terwijl de keizer soeverein heerste over zijn rijk, waren Europese monarchen gebonden aan hun bankiers telkens ze grote projecten moesten financieren. Ze waren nooit helemaal soeverein en kwamen terecht in een zekere mate van dienende rol ten opzichte van de bankiers.
  • Dit leidde ertoe dat bankiers een machtspositie verkregen en steeds meer invloed hadden op de nationale politiek.
  • Wanneer de heerser het eigen geld drukt, zoals in China, moet het land hierop geen intresten betalen. De private bankiers rekenden intresten aan wat de overheidsfinanciën verder bezwaarden.
  • Aangezien overheden geen geld kunnen drukken moeten ze hun inkomsten uit belastingen halen.  Deze belastingen stegen naarmate de overheid meer geld ontleende bij de banken, en bijgevolg meer rentelasten moest betalen.
  • De werkwijze in China was transparanter dan de geldcreatie via banken.
  • Doordat de Europese monarchen noch controle over de geldhoeveelheid noch inspraak in de toewijzing ervan aan bepaalde investeringen en projecten hadden, hadden zij geen controle over de economie. Deze controle lag in handen van de private consortia die vanuit de handelslogica hun eigenbelangen dienden en niet deze van het volk. 


Oorlog en geld

Hoewel van menig koning in de geschiedenisboeken verteld wordt dat ze boven hun stand leefden, waren het voornamelijk de oorlogen die hen aanzette tot het lenen van grote bedragen en het maken van overheidsschulden. Voor de bankiers waren dit gouden tijden, niet alleen maakten ze veel winsten door de intrestbetalingen, het was ook een tijd om de strijdende machtshebbers te vragen naar speciale privileges, titels en zelfs land.

Vooral de bankiers die internationale connecties hadden, zeker diegenen met collega-bankiers aan de andere kant van het front die de tegenpartij financierden, deden gouden zaken. Zij hadden de macht om mee te bepalen wie zou winnen dan wel verliezen, deze laatste zou dan verdere financiering ontzegd worden. De partij die het meeste betaalde en de mooiste privileges verleende, werd financieel het meest gesteund. Een oorlog werd ook toen reeds niet enkel aan het front uitgevochten.


“Een oorlog werd ook toen niet enkel aan het front uitgevochten.“

Conclusie

Wie het privilege heeft om geld te creëren heeft hiermee toegang tot controle van de economie, en de uiteindelijke macht. Door een historische keuze kwam de geldcreatie in het Westen in handen van private banken terecht die vooral hun eigenbelang dienen, waardoor het voor overheden moeilijk is om een politiek-economisch beleid ten voordele van de burger te ontwikkelen. Bovendien brengt private geldcreatie een interestlast mee die de overheidsbegroting, en dus de bevolking, steeds meer belast.


Vanuit deze kennis kan gereflecteerd worden of een publieke geldcreatie geen betere optie is voor zowel burger als overheid(sbudget). En onder welke voorwaarden en governance dit moet gebeuren om de Westerse vrijheden en democratie te behouden en niet terecht te komen in de totalitaire autocratie zoals de Sung Dynastie.



Deel dit bericht