Geld door schuld: de verborgen architectuur van ongelijkheid.
Monetaire geletterdheid #5
Deze blog is geïnspireerd door Debt, Design and Disparity: Monied Power and the Institutional Roots of Unequal Britain van dr. Plamen Ivanov. Concreet onderzoekt het boek de oprichting van de Bank of England en de context waarin dit mogelijk werd. Vanuit een breder historisch en maatschappelijk perspectief beschrijft het de institutionele transitie aan het einde van de 17de eeuw, waarbij de landadel werd verdrongen door een nieuwe, financiële, elite en economische ongelijkheid werd verankerd in een nieuw monetaire systeem.
Monetaire macht in handen van private partijen
De vorige blog
“Tussen keizer en bankier” toonde reeds aan hoe ons huidige monetair en financieel systeem bepaald wordt door hoe het Westen reeds vele eeuwen terug naar geld keek, en hoe een bepaalde ondernemende klasse de (publieke) taak van geldcreatie wist te kapen ten voordele van het eigenbelang. Nochtans zijn geldcreatie en geldtoewijzing kerninstrumenten van economisch beleid waarbij een welvarende samenleving mogelijk is op voorwaarde dat het bevoegde bestuur (governance) handelt in functie van het grotere geheel, ‘The greatest good for the greatest number of people’[1]. We zagen dat enkel wie macht heeft over geldcreatie en -toewijzing de verantwoordelijkheid voor economisch beleid kan opnemen. Met de oprichting van de Bank of England in 1694 droegen koning en parlement deze macht officieel over aan een beperkte groep private aandeelhouders.
En net over dat laatste wil deze blog meer duidelijkheid brengen, of alvast handvatten voor kritische reflectie bieden. Welke lessen kunnen we trekken uit de oprichting van de Bank of England, waarbij de (overheids)schuld geprivatiseerd werd? Wetende dat deze bank in het Westen model stond voor het monetair en financieel beleid en significant bijdroeg aan het huidige monetaire en financiële systeem dat onze economie en samenleving bepaalt. Een model dat bovendien door supranationale instellingen zoals het IMF en de Wereldbank wereldwijd verspreid werd volgens het narratief dat ‘onafhankelijke’ private schuldverleners noodzakelijk zijn voor economische groei.
Wat hierbij echter niet uitgedrukt wordt, is dat (i) geldcreatie en -allocatie kerninstrumenten van economisch beleid zijn en dat deze beleidsmiddelen in een constructie met private grootbanken door de overheid impliciet overgedragen worden aan private partijen. Private partijen die bovendien (ii) rente mogen aanrekenen op geld dat ze ‘uit het niets creëren’. Geld dat overheden evenzeer zouden kunnen uitgeven, in eigen beheer, waardoor de rentelasten vermeden zouden worden. Kort samengevat, de privatisering van de overheidsschuld creëerde een jaarlijkse rentelast die via belastingen door de productieve bevolking betaald wordt. Een rentelast die had kunnen vermeden worden indien overheden hun eigen schulden zouden uitgeven. Deze private partijen worden in het onderzoek van Plamen Ivanov de ‘faceless winners’ van de monetaire transitie genoemd die dankzij het systeem van private schuldfinanciering schatrijk werden ten koste van de gemeenschap.
Kortom, de oprichting van de Bank of England zorgde voor een systeemwijziging die, hoewel voor de meerderheid onzichtbaar, een grote impact had op welvaart en welzijn van mens en maatschappij. De mensheid en haar politieke vertegenwoordigers gaven officieel hun financiële en economische soevereiniteit op, ten voordele van private partijen die vooral handelden in hun eigenbelang. Het systeem werd de daaropvolgende decennia gelegaliseerd. De nieuwe monetaire organisatie leidt ‘by design’ tot een transfer van arm naar rijk.
De Bank of England als blauwdruk voor (centrale) banken
De Centrale Bank van Engeland (1694) wordt algemeen beschouwd als de eerste centrale bank, naar wier welk voorbeeld vele private banken opgericht werden. Eigenlijk was de Zweedse Riksbank, die in 1668 het levenslicht zag, officieel de eerste. Het doel van beide banken was om een instrument te zijn voor het regelen van overheidsschulden, tegen aanrekening van intrest. Het waren puur private en commerciële banken, maar als belangrijkste bankier van de regering kregen ze allerlei privileges waaronder het monopolie tot uitgifte van bankbiljetten. De term centrale bank, en ook de functie van lender of last resort, verschenen pas in de 19de eeuw.
Het ontstaan en de ontwikkeling van centrale banken hing heel nauw samen met de geldnood van regeringen, een geldnood die rechtstreeks verband hield met de kosten van het voeren van oorlog. Noch de Riksbank noch de Bank of England waren banken die gericht waren op het dienen van de publieke zaak. Integendeel, het waren de facto de bankiers voor de regeringen, instellingen die zorgden voor een continue geldstroom ten voordele van de regering, zonder dat de regering tot de onsympathieke maatregel van het verhogen van belastingen moest overgaan. Op korte termijn althans, de rentebetalingen op de leningen aan de overheid leidden op termijn tot veel hogere kosten die evenzeer door belastingen gefinancierd werden.
De privatisering van staatsschuld
Het monetaire systeem werd bij het einde van de 17e eeuw grotendeels geprivatiseerd ten gunste van een klein aantal economische actoren, namelijk de aandeelhouders van de Bank of England. Zij kregen het privilege om leningen aan de staat te verstrekken tegen een rente van 8%, evenals een monopolie als bank van de regering, wat neerkwam op toegang tot grote kredietvolumes. Bij een rentevoet van 8% leverde dit aanzienlijke winsten op, met een vrijwel onbestaand risico op wanbetaling, aangezien het parlement via belastingen voldoende middelen kon innen om zowel rente als hoofdsom terug te betalen.
Een beperkte groep investeerders kreeg dus het voorrecht om exclusief de overheidsleningen tegen een rentevergoeding van 8% te financieren, terwijl de bijhorende rentelasten door de staat via belastingen werden opgebracht. De fiscale diensten fungeerden daarbij als incassobureau dat een deel van de productiviteit en inkomens van de bevolking afroomde en herverdeelde naar de nieuwe financiële elite: de aandeelhouders van de Bank of England, de crediteuren van de staatsschuld. Bovendien bedong de bank een belastingvrijstelling op haar winsten.
“Het nieuwe monetaire systeem leidt
by design tot een transfer van arm naar rijk.“
Geld creëren uit het niets
De Bank of England leende niet enkel het door de aandeelhouders gestorte kapitaal uit, het werd haar bovendien toegestaan om promesses uit te schrijven voor een totaal die het eigen vermogen ruim overschreed. De bank mocht fiduciaire bankbiljetten uitgeven met de opdruk ‘Ik beloof de houder op verzoek te betalen’. Het lijkt erg op het ‘frauduleuze’ systeem dat ook reeds door de goudsmeden toegepast werd, zoals beschreven in de blog
‘Tussen keizer en bankier’, waarbij ook reeds geld ‘uit het niets’ gecreëerd werd. Alleen werd het met de oprichting van de Bank of England gelegaliseerd.
Belangrijk om op te merken is dat in het proces van ‘uitlenen’ de Bank of England nieuwe koopkracht creëerde en toewees, wat aantoont dat zij de macht had over de kerninstrumenten van economische politiek.
De rauwe realiteit: het kan ook anders!
Met de oprichting van de Bank of England (i) kreeg een kleine groep investeerders (ii) het monopolie om leningen aan de staat te verstrekken (iii) tegen een intrestvergoeding van 8% bij (iv) een quasi onbestaand kredietrisico aangezien de ganse productieve bevolking via belastingen garant stond voor de betalingen. Bovendien (v) beperkte het ontleende bedrag, en bijgevolg ook de intrestvergoeding, zich niet tot het eigen vermogen van de bank dat door de aandeelhouders ingebracht werd. Het was de bank toegestaan om geld ‘ex nihilo’ te creëren. Uit het niets, ‘out of thin air’. De aandeelhouders van de Bank of England kregen als het ware een blanco cheque, gedekt door de toekomstige belastingen van de ganse productieve bevolking.
Als gevolg van deze constructie werden alle toekomstige overheidsbegrotingen belast met zware rentelasten, en werden zowel de staat als de belastingbetalers dienaar gemaakt van de private ‘financiële elite’. Terwijl de Engelse regering zelf promessen (IOU – I Owe you) had kunnen uitgeven, zonder dat ze haar toevlucht hoefde te nemen tot ‘leningen’ tegen samengestelde rente van private financiers die een bank oprichtten. Binnen een dergelijk
alternatief institutioneel kader, waarin de regering zelf geld uitgeeft, zouden de particuliere bankinstellingen voor overheidsschuld overbodig zijn. Bovendien zou de staatsschuld verdwijnen en de belastingdruk veel lager zijn door het wegvallen van de intrestlasten en terugbetalingen. Ook de inkomens- en vermogensongelijkheid zou minder een probleem zijn.
Hoe kon deze private ‘hacking’ gebeuren?
Hoewel het voorstel tot oprichting van een centrale bank in 1691 en 1692 nog werd afgewezen wegens niet in het voordeel van de bevolking, werd het plan in 1694 wel aanvaard. Waarschijnlijk zorgde een samenloop van contextuele factoren voor voldoende ruimte voor deze institutionele hervorming.
Ten eerste was er de aanhoudende geldnood van vorsten en regeringen. Na een halve eeuw oorlogen tegen Frankrijk en Nederland was de Engelse schatkist volledig uitgeput. Bovendien had koning Karel II meer geld geleend van goudsmeden dan hij kon terugbetalen, waardoor velen hun spaargeld verloren. Toen zijn opvolger, Willem van Oranje in 1693 opnieuw geld nodig had, bestond er grote terughoudendheid om nog leningen te verstrekken, aangezien de overheid niet langer als betrouwbaar werd beschouwd.
“De Engelse regering had zelf geld kunnen uitgeven, waardoor private banken voor overheidsschuld overbodig zouden zijn.“
Daarnaast was het plan voor de centrale bank grondig voorbereid, zoals beschreven in ‘Debt, Design and Disparity’. De geschiedenis toont dat dergelijke financiële hervormingen vaak jarenlang, soms generaties lang, worden voorbereid en gelobbyd. Het imago van de Bank of England werd bovendien zorgvuldig opgebouwd door haar breed te promoten als een publieke bank, terwijl zij in werkelijkheid een private, winst maximaliserende, onderneming was.
Ook de opkomst van het democratische gedachtengoed, met ideeën zoals pluralistische en inclusieve instellingen en een scheiding der machten, speelde een rol. Het loskoppelen van kredietverlening en de koninklijke macht paste in de tijdsgeest. Daarenboven stelde men dat een onafhankelijke bank de kredietverstrekkers meer zekerheid van terugbetaling van de schulden bood.
Tenslotte was er een ondernemende klasse met een uitstekend doorzicht in het financiële systeem, die in de privatisering van de geldcreatie een groot persoonlijk profijt herkende, en geen scrupules had om zichzelf te verrijken ten koste van de bevolking.
Het zijn de ‘faceless winners’, die zelf anoniem op de achtergrond bleven, en vlotte sprekers uit verschillende klassen inhuurden om hun plan te ‘verkopen’ aan het grote publiek. Waarbij hun werkelijke motivatie om geld te verdienen door de privatisering van schulden slim verzwegen werd, en vooral het publieke belang, zoals de garantie van terugbetaling van de leningen, gepromoot werd. Plamen Ivanonv raadt dan ook aan om bij de beoordeling van een systeem(wijziging) niet alleen de vraag te stellen hoe het (nieuwe) systeem werkt, maar ook wie erbij wint.
Bron van structurele ongelijkheid
Het monetaire systeem, waarbij kredietverlening werd geprivatiseerd en geconcentreerd bij een beperkte groep investeerders, met een inherente herverdeling van arm naar rijk, vormt een belangrijke structurele oorzaak van ongelijkheid. Het mechanisme is heel eenvoudig: op elke overheidslening moeten intresten worden betaald aan private banken, die uiteindelijk terechtkomen bij hun aandeelhouders. Zowel de aflossing van de lening als de intrestlasten worden gefinancierd met belastinginkomsten, die een afroming zijn van de productieve arbeid van de burgers. Hoe hoger de ontleende bedragen aan staatsschuld, hoe omvangrijker de intrestlasten en hoe groter het deel van de overheidsinkomsten dat naar schuldaflossing en rente gaat. Naarmate een groter aandeel van de publieke middelen (belastingen) nodig is om financiële verplichtingen na te komen, blijft er minder over om het sociaal contract met de burger, zoals onderwijs, gezondheidszorg en pensioenen, te vervullen.
Momenteel worden veel westerse landen geconfronteerd met de dubbele uitdaging van een stijgende overheidsschuld en een verouderende bevolking. Dit betekent dat het aandeel van de actieve en productieve bevolking daalt, en bijgevolg ook de belastinginkomsten. Terwijl de kosten van sociale zekerheid en gezondheidszorg stijgen. Deze combinatie dreigt uit te monden in een situatie waarbij financiële verplichtingen tegenover bankiers in conflict komen met het welzijn en de welvaart van burgers, wat kan leiden tot staatsfaillissementen en/of sociale onrust.
“Stel niet alleen de vraag hoe het nieuwe systeem werkt, maar ook wie erbij wint.“
Hoewel de bestrijding van ongelijkheid hoog op de politieke agenda staat en er aanzienlijke middelen voor worden vrijgemaakt, wordt het monetair en financieel systeem als systemische oorzaak van armoede nooit in vraag gesteld, laat staan aangepakt. Vermoedelijk gebeurt dit uit onwetendheid omdat de architectuur ervan slechts bij een beperkte groep bekend is. Op een uitzondering na komt de werking van het monetair-financieel systeem niet aan bod in de diverse financiële opleidingen, noch in de media. De focus wordt algemeen gericht op hoe geld te verdienen in het bestaande systeem, dat zo ingewikkeld gemaakt werd dat zelfs experts ervan overtuigd zijn dat er geen beter alternatief mogelijk is.
Het ongemoeid laten van dergelijke structurele oorzaken maakt andere initiatieven in verband met armoede en ongelijkheid uiteindelijk weinig effectief. Het is zoals water naar de zee dragen, of zoals een arts die steeds zwaardere pijnstillers voorschrijft zonder de onderliggende oorzaak van de ziekte aan te pakken.
IMF en Wereldbank volgen regel privatisering overheidskrediet
Aangezien organisaties zoals de Wereldbank en het IMF ditzelfde financiële systeem promoten in ontwikkelingslanden — waarbij rentelasten moeten worden betaald aan buitenlandse grootbanken — rijst de vraag of dit de armoede vermindert of juist vergroot. Helpt het deze landen echt bij hun economische ontwikkeling, of duwt het hen verder in de schuldenval? Het officiële verhaal is dat het ‘Bank of England-model’ noodzakelijk is voor groei, maar dit wordt niet door de praktijk bevestigd.
“Mag niet van Europa”
Hoewel het veel voordeliger is de staatsschuld door de eigen regering te laten uitgeven (omdat het de rentelasten vermijdt), en dit een positieve impact zou hebben op begroting, belastingdruk en ongelijkheid, wordt dit door de EU in het Verdrag van Maastricht aan haar lidstaten verboden.
Artikel 123[2] van het Verdag betreffende de werking van de Europese Unie bepaalt in essentie dat de staatsschuld moet worden gegarandeerd door private commerciële banken.
“Het verlenen van voorschotten in rekening-courant of andere kredietfaciliteiten bij de Europese Centrale Bank of de centrale banken van de lidstaten, (hierna "nationale centrale banken" te noemen), ten behoeve van instellingen, organen of instanties van de Unie, centrale overheden, regionale, lokale of andere overheden, andere publiekrechtelijke lichamen of openbare bedrijven van de lidstaten, alsmede het rechtstreeks van hen kopen door de Europese Centrale Bank of nationale centrale banken van schuldbewijzen, zijn verboden.”
Het is met andere woorden verboden voor de Europese Centrale Bank (ECB) én de nationale centrale banken van de lidstaten om kredietfaciliteiten te verstrekken aan overheden en andere publieke lichamen, of om rechtstreeks hun overheidsobligaties te kopen. Dit betekent bijvoorbeeld dat noch de ECB noch de nationale banken van de lidstaten de overheden rechtstreeks geld mogen lenen. Kort gesteld: de lidstaten mogen geen ‘rentevrije’ eigen schuld meer uitgeven maar moeten via de private banken passeren die voor hetzelfde ‘werk’ rentelasten aanrekenen die de aandeelhouders ten goede komen en betaald worden door belastingen op de productiviteit van de bevolking.
Volgens het EU-recht zijn de lidstaten bijgevolg gedwongen om het voor de maatschappij onvoordelige model van private kredietfinanciering van overheidsschulden te volgen, waardoor inwoners geconfronteerd worden met een hoge(re) belastingdruk en toenemende ongelijkheid.
Geld, banken en oorlog
De grootste overheidsschulden zijn oorlogsschulden en die zijn zo groot dat ze doorgaans heel lang meegaan voordat ze afbetaald kunnen worden. Zolang ze niet terugbetaald zijn moet er jaarlijks intrest op betaald worden. Banken verdienen dus heel veel geld aan oorlogen en daarom worden ze wel eens de aanjagers van de militaire industrie genoemd.
Het creëren van geld om oorlogsvoering te financieren leidt causaal tot ongelijkheid en zorgt ervoor dat een groot deel van het nationaal inkomen in handen komt van een kleine groep. Er bestaat een positieve correlatie tussen militaire oorlogsvoering, belastingheffing en ongelijkheid.
Met de oprichting van de Bank of England in 1694 (die model stond voor de Westerse financiële wereld) werd een financieel systeem ingesteld dat in de kern gaat om een bij wet gereguleerde privatisering van kredietverlening, tegen rentevergoeding. Deze werkwijze leidt niet alleen tot een hogere belastingdruk, maar veroorzaakt ook een toenemende maatschappelijke ongelijkheid doordat het systeem ‘by design’ een transfer van arm naar rijk creëert.
Deze blog gaf een inzicht in de werkwijze van het huidige monetaire en financiële systeem, kennis die (nog) niet in de klassieke studieboeken terug te vinden is. Er werd ook aangehaald dat er andere, voor de maatschappij voordeligere, financiële organisatievormen bestaan. Maar die worden momenteel bij EU-wet verboden.
[1] Jeremy Bentham “It is the greatest happiness of the greatest number that is the measure of right and wrong.” In A Fragment on Government (1776) en An Introduction to the Principles of Morals and Legislation (1789).
[2] https://eur-lex.europa.eu/eli/treaty/tfeu_2008/art_123/oj
















